De hulptroepen uit Utrecht

Om zeker te zijn van de overwinning zorgde Bisschop Otto II van der Lippe voor een groot leger, waaronder verschillende beroemde kruisridders zoals Gijsbracht van Aemstel, Bernhard van Horstmaren(de broer van Otto de grootste held van die tijd en de schrik van de saracenten) en de heer Montfoort. De graven van Holland, Kleef en Bentheim stuurden soldaten, net zo als de bisschop van Munster en de aartsbisschop van Keulen. Niets kon een overwinning meer in de weg staan.(dachten ze). De Bischop heeft Rudolf en z'n strijdgenoten ondertussen in de ban gedaan en hun spullen en eigendommen werden van hun afgepakt en degene die het wilde hebben mocht het pakken.
In de zomer van 1227 verzamelt de grote strijdmacht zich bij kasteel Heekeren bij Goor. Aanvoerder wordt heer Rudolf van Goor, een reus van een kerel, en trekken de ridders Drenthe binnen. Ze zullen dat armzalige troepje boeren wel even een lesje leren. Halverwege de Overijsselse plaats Hardenberg en het Drentse Coevorden, bij het dorp Ane, werd een kamp opgeslagen.
Gevecht in het moeras

Ondertussen wacht heer Rudolf van Coevorden met zijn legertje rustig af. Niet met een groot soldatenleger, maar met een ongeregelde bende boeren, knechten en meiden.Hij kent het terrein op zijn duimpje. Hij lokt de geallieerde ridders steeds verder het moeras in.
Hij legerde zich niet ver van het kamp van de bisschop. Tussen de beide strijdgroepen bevond zich een groene strook grond. Maar alleen Rudolf wist dat het een gevaarlijk terrein was: het was eigenlijk niet meer dan een verborgen moeras, genaamd 'De Mommeriete'.